Omgeving

Omgeving

  • 0,5 km van het treinstation
  • 0,5 km van de haven
  • 0,5 km van het strand
  • 0,5 km van de casino
  • 0,3 km van de winkelstraat
  • 5 km van de haven van Zeebrugge
  • 20 km van Brugge
  • 110 km van Brussel
  • 25 km van de luchthaven van Oostende

 

Blankenberge

Deze populaire badplaats is een boeiende omgeving voor jonge gezinnen en voor families met tieners die zich niet willen vervelen. Naast een uitgebreide reeks van outdoor- en indoor- sportmogelijkheden, biedt Blankenberge ontelbare kansen voor shopaholics en liefhebbers van het eigentijdse amusement. Het vernieuwde casino, de lunaparken, de nachtclubs, de komische velodroom, de winkelstraten met de boetieks en de pittoreske restaurants vormen het vitale centrum van deze bewogen vakantieplaats.

 

Toch is Blankenberge niet enkel zee, strand en vertier. Verken ook eens het authentieke Blankenberge: de oude binnenstad met zijn smalle straatjes en talrijke winkels waar nog veel herinnert aan het historische verleden; de vissershuisjes in het vroegere visserscentrum, het oude stadhuis, bel-etagevilla’s met fraaie tegeltableaus, het casino, de haven en niet te vergeten de pier. Dit is een uniek bouwwerk dat bestaat uit een 350 meter lange wandelbrug in zee, die leidt naar een monumentaal rond gebouw. Wist U trouwens dat de allereerste (gietijzeren) pier dateert van 1894? In 1914 werd die door de Duitsers in brand gestoken en in 1933 werd een nieuwe betonnen versie gebouwd die in 2003 volledig verbouwd werd. In het Belle Epoque Centrum dat bestaat uit drie gerestaureerde  villa’s van 1894, maakt u trouwens kennis met de hele glorie van de Belle Epoque, een periode van ongeveer 1870 tot 1914 waarin de Europese burgerij een redelijke welvaart kende. Blankenberge ontwikkelde zich toen tot een belangrijke badstad met grote bouwkundige realisaties zoals het casino, de pier, kustvilla’s en grote hotels voor het toen opkomende toerisme. U merkt het dus al: Blankenberge straalt een unieke sfeer uit en trekt al jaren zowel arm als rijk aan.

 

Waar Blankenberge heden ten dage een volgebouwde stad is, was het in zijn vroegste tijden een stukje uitgestrekte ongerepte natuur met wilde duinenrijen, waar vooral stropers en strandjutters zich konden verbergen. Daarnaast was Blankenberge, dat in 1270 gesticht werd, vooral een vissersdorpje. Margareta van Constantinopel verleende het dorpje belangrijke gemeentelijke privileges en trok daardoor vrij snel vissers aan. Een vloot werd uitgebouwd en de welvaart steeg. Toch ging het Blankenberge niet voor de wind. Tijdens de Honderdjarige Oorlog kreeg het dorp te maken met krijgsoperaties en militaire rampen. De bevolking trok weg. De welvaart herstelde zich in de Oostenrijkse tijd onder het bestuur van Maria Theresia. Het Blankenbergse visserssucces werd echter teniet gedaan door de Franse revolutionairen. Ze verboden het vissen en de vloot ging in vlammen op. Van de wilde natuur, uitgestrekte duinen en het idyllische vissersdorpje blijven nog maar weinig sporen over.

Toen Blankenberge als vissersdorp niets meer betekende, zocht het een andere manier om welvaart te creëren. In de tweede helft van de negentiende eeuw werd zeebaden een ware mode en werd Blankenberge een mondaine badplaats. In het verleden hadden ze al enige ervaring met badgasten. Zo kwamen in de zestiende eeuw al badgasten uit Brugge en was er in 1815 een schandaal rond naakt zwemmen. In 1838 werden Oostende en Brussel door een spoorweg verbonden. In 1863 kreeg ook Blankenberge een treinverbinding waardoor het toerisme op gang kwam. Promotieacties, speciale treintarieven, affiches en reclames lokten de mensen naar de kust. Met het aantreden van koning Leopold II vierde het Belgische nationalisme hoog tij. Grootse projecten zoals de nieuwe Petrus-en Pauluskerk, het casino of de eerste elektrisch verlichte promenade van Europa werden opgezet, met als ultieme pronkstuk de enige pier aan de Belgische kust.

Oud en nieuw, schreeuwende visverkopers en zomergasten, leefden er in symbiose. Tot de schade van de Eerste Wereldoorlog ook alle elegantie verwoestte. De mensen kwamen nog terug, maar de grandeur niet meer. Bouwwerken als de velodroom met gekke fietsen uit 1933 of de betonnen ersatzpier, die datzelfde jaar werd afgewerkt, hadden toch heel wat minder glans dan de vroegere majestueuze projecten. De schade van de Tweede Wereldoorlog was nog erger, het betekende het definitieve einde van de visserij in Blankenberge. De kustplaats trok resoluut de kaart van het commerciële massatoerisme. De dijk werd geleidelijk aan volgebouwd met hoge appartementsblokken met zicht op zee.

 

De pier 
In 1873 was er voor het eerst sprake van de bouw van een pier in Blankenberge. De ideeën werden aangebracht door een bedrijf uit Londen. Het gemeentebestuur was het idee zeer genegen en zag het als een grote aanwinst voor het toeristisch patrimonium. Van die eerste plannen is echter niets in huis gekomen. Het was pas in 1889 dat de plannen ondertekend werden en slechts in 1894 werd de pier uiteindelijk gebouwd. De pier bestond uit verschillende delen: een halfrond bij de ingang, een brug bestaande uit 17 delen, rustend op ijzeren palen met in het midden een verbreding naar de muziekkiosk en een achtkantig groot platform waarop een paviljoen werd gebouwd (met een ruime feestzaal, provisiekelder, wijnkelder…). De pier werd officieel ingewijd op 2 september 1894 in aanwezigheid van Koning Leopold II. Op 22 december 1894 trof de zwaarste storm van de eeuw ook Blankenberge: de pier was blijkbaar tegen weer en wind bestand en de installaties werden niet aangetast. Tijdens WOI, in 1915, werd de pier echter door de Duitse legerleiding verbrand en totaal vernield: de pier vormde een gevaar voor Britse aanvallen vanuit de zee. In 1931 werd de pier opnieuw gebouwd, ditmaal in gewapend beton. Dit is de staat van de pier zoals hij vandaag te zien is.

 

                                                                                                              

Het Casino
Sinds 1855 kwamen toeristen samen in de schepenzaal van het gemeentehuis om er hun avonden door te brengen. In 1859 vestigde ingenieur Malécot zich in Blankenberge en richtte ‘het Kursaal’ op: daar kwam de ‘high society’ samen. De bevolking was daar niet mee opgezet en de gemeente ging over tot de oprichting van een eigen groot complex. Na lang onderhandelen, vergaderen en na vele betwistingen vingen de werken van een gemeentelijk casino in 1884 aan. In 1886 werd het casino officieel ingewijd, een massa toeristen waren er aanwezig. Het casino werd uiteindelijk in 1932 volledig gesloopt en moest plaats maken voor een nieuw casino, ontworpen naar de plannen van de Antwerpse architecten Van Sluys en Speybrouck.

 

                                                                   

De Sint-Rochuskerk (“de toeristenkerk”)
Bij de uitbouw van Blankenberge als toeristische badplaats ontstond de behoefte aan een grotere kerk. De Sint-Antoniuskerk was te klein geworden om alle gelovigen te kunnen ontvangen. In 1873 waren er plannen om een nieuwe grotere kerk in Gotische stijl te bouwen, daar kwam echter niets van in huis. In 1976 kwam de bisschop van Brugge naar Blankenberge om de mogelijkheid te onderzoeken toch een nieuwe kerk te laten bouwen. Het duurde nog tot 1884 vooraleer de werken werden aangevat. Pas in 1903 werd de 18 meter hoge torenspits gebouwd.

Doordat er steeds meer toeristen naar Blankenberge kwamen, groeide de nood aan een grotere kerk.

 

 

 

Vissersfase
Tot slot komen we tot de eeuwenoude wortels van het kuststadje: de visserijtraditie.

 

                                                                                                         

De vuurtoren  ​
De oudste informatie over de Blankenbergse vuurtoren dateert uit het begin van de 14de eeuw. Vroeger diende men de benaming "vuur-toren" letterlijk te nemen: vaak waren het eenvoudige bakstenen constructies op een duin met daarin een stenen zolder en rooster waarop stro en, vanaf de 18de eeuw, ook steenkool verbrand werd zodat de vissers op zee de weg naar huis konden vinden. Met de aanleg van de Blankenbergse schuilhaven werd een nieuwe vuurtoren gebouwd die in 1872 werd ingehuldigd. De Duitsers dynamiteerden dit bouwwerk in 1944. De huidige betonnen vuurtoren dateert van na W.O. II (1950). Tegenwoordig wordt de vuurtoren volautomatisch bediend en wordt deze niet meer bewoond.

Stephan Vanfleteren is zelf een kind van de zee (Oostduinkerke). In een interview op Radio 1 zei hij over zijn motieven voor de tentoonstelling: “Mijn buurman was een oude visser. Als kind sta je daar niet bij stil, je ziet die man op zijn klompen rondlopen. Pas achteraf besefte ik, die mensen gaan dood, die verdwijnen. Die echte oude vissers verdwijnen.”

De Belgische vissersvloot slinkt, haar bemanning vergrijst. Gelukkig is er Vanfleteren, die de vissersgemeenschap voor eeuwig heeft vastgelegd. Heldere ogen in gegroefde gezichten, getatoeëerd door wind, water en zout, blikken vol heimwee en heldenmoed.

De vuurtoren als gebouw, een eeuwenoud baken voor de visserij, is vandaag, in GPS-tijden, een leeg onbewoond onpersoonlijk volautomatisch bediend relict dat hier letterlijk een museum wordt. De objecten – de vissersloep en visnetten – worden museumobjecten. De traditionele vissers verdwijnen en worden als herinnering op de gevoelige plaat vastgelegd en tegen de muur opgehangen in een museale context.

 

                                                                                                                

De haven     
Gravin Margareta II van Vlaanderen kende Blankenberge, tijdens de stichting ervan in 1270, belangrijke gemeentelijke privileges toe. Het dorpje trok al snel vissers aan. In een kwarteeuw tijd wist het een vloot van een stuk of zestig schepen bijeen te krijgen. Door de betrokkenheid van Blankenberge in de Honderjarige Oorlog werd de streek gedurende enige tijd het toneel van krijgsoperaties, conflicten en militaire rampen. In de Oostenrijkse tijd begon voor Blankenberge een nieuw tijdperk van welvaart. Onder het bestuur van keizerin Maria Theresia werd de plaats begunstigd met een oorkonde van privileges in verband met de visserij, die hier op grotere schaal werd uitgeoefend dan in Nieuwpoort of Oostende. De bloei van de visserij kwam tot een einde met de inval van de Franse revolutionairen. Het vissen werd de inwoners van Blankenberge onmiddellijk verboden en hun roemrijke vloot ging in vlammen op. Toen Blankenberge zich niet meer op zee kon doen gelden, moest het op een andere manier profijt zien te trekken van zijn kust.

Vanaf het midden van de negentiende eeuw onderging Blankenberge een bliksemsnelle gedaanteverwisseling in de vorm van (mondain) toerisme. De Tweede Wereldoorlog was de laatste klap voor de oude visserij van Blankenberge.

De oprichting van de jachthaven in 1955 betekende het definitieve einde van de visserij. Het toenmalige gemeentebestuur zag hier een nieuwe toekomst in voor de haven.

                                                                                                       

  De Breydelstraat

 

De Breydelstraat in Blankenberge werd tot het jaar 1900 bijna uitsluitend bewoond door kroostrijke vissersgezinnen. Destijds was er een vissersgemeenschap die 66 van dergelijke huisjes en 2 kroegjes telde. Het krioelde er van de kinderen. De straat heeft een ver verleden als kern van de oude visserij en was zeer schilderachtig. Het straatje liep uit op een duin die luwte bood aan de lage visserswoningen. De bewoners van deze vissershuisjes woonden zeer dicht bij hun platbodemschuiten die op het strand werden getrokken.

Van de visserssfeer van weleer getuigen nog twee "geklasseerde" huisjes: nr. 27 en nr. 10, het schilderachtige Huisje van Majutte met zijn witte puntgeveltje. Het heeft een ondiepe fundering, drie stenen diep in het duinzand. Je moet je hoofd buigen om door de dubbele "koestaldeur", twee treden omlaag, binnen te komen. In de stutten van de balken herken je overal het scheepswerk. Je vindt in het huis balken in alle soorten gejut hout: olm, eik en spar. Een boogvenstertje gaf destijds uitzicht op de duinen. Een schoorsteenmantel met Delftse tegels domineert de woonplaats. In de haard is er een merkwaardige oude inscriptie, een spreuk, met de in elkaar verstrengelde woorden: "Moeghere Cuecken en Herten Blye". De vloer is belegd met kleine roodgebakken tegels. In de keuken is er een tweede open haard met weer een grote schoorsteenmantel en een oude rondgemetste "pekelput" afgesloten met een houten deksel. In de balken boven de keuken zit een plank van een Blankenbergse schuit verwerkt, wellicht aangespoeld, als enige restant van dat historische vaartuig. Een indrukwekkend houten gebinte draagt het dak van Boomse pannen en bergt een grote zolderruimte. Het huis blijft fris in de zomer en warm in de winter. Niemand, zelfs dit huisje niet, vertelt je hoe oud het precies is. Het huisje werd vele generaties lang bewoond door de vissersfamilie Debruyne, de "Majuttes". De laatste visser die er woonde was Jan Majutte.